Oorsprong en ouderdom van Hombeek
Het antwoord op de vraag naar de ouderdom van Hombeek roept meteen een tweede vraag op: wat bedoelt men precies met “Hombeek”? Doelt men op de gemeente, de parochie of de naam? Indien men de gemeente bedoelt, kan het antwoord vrij precies worden gegeven. In 1796, bij de administratieve herindeling onder het Franse bewind, werd de *commune d’Hombeeck* officieel opgericht.
De naam Hombeek zelf is echter aanzienlijk ouder. In de regio komen zeer vroege plaatsaanduidingen voor van Frankische oorsprong (7de–8ste eeuw), zoals Eglegem, Relegem, Adegem, Eppegem en Auwergem. Deze benamingen gaan vooraf aan de naam Hombeek. Met de Karolingische periode kwam er niet alleen een bestuurlijke hervorming, maar ook een indeling van het kerkelijk landschap in parochies, een proces dat zich situeert tussen de 9de en 10de eeuw.
Onze streken maakten toen deel uit van Lotharingen, binnen het rijk van Karel de Grote. Koning Zwentibold bevorderde er de oprichting van talrijke parochies, maar werd tegelijk geconfronteerd met invallen van de Noormannen. Aangezien deze invallen vaak langs de rivieren plaatsvonden, werden langs de Zenne uitkijktorens opgericht ter verdediging. Historici gaan ervan uit dat langs deze rivier een vrij omvangrijke moederparochie bestond, vermoedelijk met zetel in Zemst, waaruit later onder meer de dochterkerken van Heindonk, Heffen, Leest, Hombeek, Weerde en Eppegem zijn ontstaan. Ook in Mechelen, aan de Dijle, bestond een dergelijke moederparochie met Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle als hoofdkerk. Beide ressorteerden onder het bisdom Kamerijk (Cambrai).
Tussen 900 en 1000 werd de heerlijkheid Mechelen een leengoed van de prins-bisschop van Luik. Ook Hombeek, althans het deel dat toen reeds ontgonnen was langs de Zenne, maakte hiervan deel uit. Het is aannemelijk dat de heerlijkheid Hombeek toen reeds bestond, met een eigen parochie en een gebedshuis. De heer van Hombeek behoorde tot het riddergeslacht der Berthouts, dat eveneens een belangrijke rol speelde in de geschiedenis van Mechelen.
Vanaf de 12de eeuw wordt de naam “Hombeek” in uiteenlopende schrijfwijzen in de bronnen aangetroffen, en ook personen met de naam “van Hombeek” worden regelmatig vermeld. In 1129 verschijnt de naam expliciet in een oorkonde, waarin de bisschop van Kamerijk de rechten op de Sint-Martinusparochie overdraagt aan de abdij van Kortenberg. Dat een kerkgemeenschap op dat ogenblik zo formeel wordt vermeld, wijst erop dat Hombeek toen reeds een duidelijk afgebakend rechtsgebied vormde met een eigen kerk. Vermoedelijk was er reeds eerder een (uitkijk)toren aanwezig, met een aangebouwd gebedshuis en mogelijk ook een pastorij.
De heerlijkheid Hombeek kende vervolgens gedurende ongeveer twee eeuwen een zekere autonomie, met een eigen heer, bestuur en rechtspraak, uitgeoefend via een schepenbank. De huidige Bankstraat herinnert mogelijk nog aan deze instelling. In 1308 kwam aan deze zelfstandigheid een einde, toen Gilles Berthout, de laatste heer van Hombeek, het gebied bij Mechelen voegde.
Het zogenoemde Hombeek-Mechelen, overeenstemmend met het Luikse leen, omvatte slechts een deel van de latere gemeente Hombeek. Het overige gebied bleef aanvankelijk in handen van de Karolingische vorsten en kwam nadien toe aan de hertogen van Brabant en later aan de Spaanse kroon. Op het einde van de 16de eeuw werd dit gebied, wegens geldnood, door de vorst verpand – feitelijk verkocht – aan particuliere eigenaars. Het stond bekend als Smal-Brabant en was verspreid over Hombeek, Leest en Heffen, al lag het zwaartepunt in Hombeek zelf. Vandaar ook de benamingen “Hombeek-Smalbrabant” en “Hombeek-Brabant”. Deze heerlijkheid werd later verheven tot een burggraafschap en bleef bestaan tot aan de Franse inval.
Toen de Fransen in 1796 overgingen tot een nieuwe territoriale indeling, stelden zij vast dat er twee plaatsen met de naam Hombeek bestonden: één in het Département des Deux-Nèthes (Antwerpen) en één in het Département de la Dyle (Brabant). Om verwarring te vermijden, werden beide gebieden samengevoegd. De oude parochiegrenzen vormden daarbij de basis voor de nieuwe administratieve eenheid “Hombeeck”, die voortaan volledig tot de provincie Antwerpen behoorde.
Vroegste bewoning: van Nerviërs tot Franken
Hoewel de parochie Hombeek pas in 1129 voor het eerst in een schriftelijke bron wordt vermeld, kan de gemeente terugblikken op een rijk en veel ouder verleden. Bij het bestuderen van de vroegste bewoningsgeschiedenis springt één natuurlijk element onmiddellijk in het oog: de Zenne. Deze rivier heeft in belangrijke mate het ontstaan en de ontwikkeling van het dorp bepaald. Tegenwoordig is de Zenne stevig ingedijkt, maar tot omstreeks 1890 kende zij een veel grilliger verloop. In die periode had de waterloop meer weg van een slecht onderhouden riool dan van een ordelijke rivier, en trad zij bovendien geregeld buiten haar oevers. Deze omstandigheden hebben de bewoning en het landgebruik in de streek sterk beïnvloed.
Wanneer de eerste bewoners zich in de omgeving van Hombeek vestigden, blijft onduidelijk. Vast staat echter dat de gronden van Hombeek reeds zeer lang permanent bewoond zijn. In 1939 werden in de Zennebedding archeologische vondsten gedaan, waaronder aardewerk uit de ijzertijd, de Romeinse periode en de middeleeuwen. Gelijkaardige vondsten in naburige gemeenten bevestigen dat deze regio al vroeg menselijke activiteit kende. Bovendien staat vast dat het gebied reeds vóór onze jaartelling werd bewoond door de Nerviërs.
Deze stam vestigde zich onder meer aan de samenvloeiing van de Zennebeek en de Leibeek. Ook in de nabijgelegen dorpen Heffen en Leest, eveneens gelegen aan de Zenne, zijn sporen van dergelijke nederzettingen aangetroffen. De bewoning concentreerde zich op de hoger gelegen linkeroever van de rivier, aangezien de rechteroever grotendeels uit drassig en moeilijk begaanbaar moerasgebied bestond. Het is aannemelijk dat de Nerviërs eigen benamingen hanteerden voor hun nederzettingen, maar voor Hombeek zijn deze niet bewaard gebleven.
Door het schaarse bronnenmateriaal zullen we wellicht nooit achterhalen hoe deze vroege bewoners hun dorp noemden. De eerste concrete plaatsnamen duiken op in de Frankische periode. In de 4de en 5de eeuw ontstonden in deze streek meerdere Frankische nederzettingen. In Hombeek is Eggelgem daarvan een bekend voorbeeld. Deze naam verwijst vermoedelijk naar de woonplaats van een familie of stamhoofd, mogelijk Eggilo of Agilo.
Kenmerkend voor deze periode zijn de zogenaamde -gem-namen, die verwijzen naar een woonplaats of nederzetting. De meeste van deze locaties bevonden zich langs de linkeroever van de Zenne en vormden een aaneenschakeling van verspreide hoeves en herenverblijven. Sommige groeiden later uit tot dorpen, zoals Eppegem, terwijl andere hun oorspronkelijke karakter behielden, zoals het Hombeekse Eggelgem.
Vandaag kennen we deze oude nederzettingen voornamelijk via overlevering, familienamen en plaatsnamen. Binnen de regio Mechelen, Zemst en Hombeek komen onder meer Eglegem, Berbelgem, Zwivegem, Adegem, Ouwergem, Releghem, Heisegem en Prolegem voor.
Pas in de hoge middeleeuwen werd ook het Brabantse deel van Hombeek intensiever bewoond, zij het minder dicht dan het Mechelse gedeelte. Dit gebied stond bekend als Smalbrabant of Klein-Brabant, terwijl het Mechelse deel eenvoudigweg Hombeek werd genoemd. Daarnaast waren de benamingen Ophombeek en Neerhombeek gangbaar. Neerhombeek maakte deel uit van de heerlijkheid Mechelen, terwijl Ophombeek onder het gezag van de hertog van Brabant viel. Reeds in de Karolingische periode werd de latere vrijheid van Mechelen, inclusief Neerhombeek, overgedragen aan de kerk van Sint-Lambertus te Luik.
Een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van Hombeek is het jaar 1129. In dat jaar droeg bisschop Burchard van Kamerijk altare de Hombeeck over aan de abdij van Kortenberg. Ook buurgemeente Leest werd overgedragen. Deze oorkonde vormt de eerste schriftelijke vermelding van het dorp. Wanneer daarin sprake is van het 'altare de Hombeeck', verwijst dit niet naar een territoriale afbakening zoals Neer- of Ophombeek, maar naar het patronaatsrecht van de kerk, met andere woorden het beheer van de kerkelijke aangelegenheden binnen de parochie.
De schenkingsoorkonde van 1129
De oorkonde waarin Hombeek voor het eerst wordt vermeld, is een diplomatische bron. Het betreft een schenking van de altaarrechten van Hombeek en Leest aan de cisterciënzerabdij van Kortenberg. De reden van deze schenking ligt voor de hand. De bisschop van Kamerijk wou voorkomen dat de altaren in handen kwamen van leken of van geestelijken die de dienst aan anderen uitbesteedden.
Inhoudelijke vertaling van de oorkonde (1129)
De Aanloop & Intentie
Ik, Burchard, bij de genade Gods bisschop van Kamerrijk, maak bekend aan allen die nu leven en nog geboren zullen worden: Het is onze plicht om de vrede en het bezit van de kerken binnen ons bisdom te beschermen en te vrijwaren van het misbruik door wereldlijke heren.
De Schenking (De Kern)
Daarom dragen wij de altaren (altaria) — met inbegrip van alle daaraan verbonden inkomsten, tienden en rechten — van de parochies Humbeka (Hombeek) en Lesta (Leest) over aan de vrome zusters van de cisterciënzerabdij van Kortenberg.
De Nieuwe Regeling voor de Parochie
Wij bepalen dat vanaf heden de dagelijkse zorg voor de zielen (cura animarum) in deze parochies niet langer misbruikt mag worden door leken. Er zal een priester-pastoor worden aangesteld die de heilige sacramenten toedient en het woord Gods predikt. Deze pastoor zal rechtstreeks verantwoording afleggen aan het gezag van de kerk, los van de wereldlijke invloed.Tevens verklaren wij deze parochies vanaf nu volledig vrij en losgekoppeld van de moederparochie van Sempst (Zemst).
De Bekrachtiging (De Sanctie)
Opdat deze schenking voor eeuwig vaststaat en door niemand kan worden betwist, hebben wij dit document laten bezegelen met ons bisschoppelijk zegel. Indien iemand deze schenking probeert te breken of te bestrijden, zal hij getroffen worden door de kerkelijke ban.
Voor de overdracht was het immers zo dat ‘de last der zielen’ in Hombeek werd gedragen door een priester-pastoor. Deze man stond in voor alle kerkelijke aangelegenheden binnen de parochie (sacramenten toedienen, preken...), terwijl belangrijke leken instonden voor de kerkdienst zelf. Deze leken verzorgden eveneens de kerkelijke opleiding van kinderen en het aanleren van de kerkzang, net als het bewaken en openen van de kerk.
De priester-pastoor leefde van tienden, cijnzen, renten, offeranden en rechten. Zijn rijkdom groeide meestal aanzienlijk, zodat vele anderen eveneens naar de post van priester-pastoor dongen.
Het gebeurde regelmatig dat het ambt, wanneer er één vrijkwam, in lekenhanden belandde. Ook geestelijken die geen opleiding hadden genoten om een parochie te leiden, oefenden dit beroep uit. Om deze leken of geestelijken aan te duiden, die wel met de opbrengsten van de tienden en de offeranden aan de haal gingen, maar zich niet bekommerden om de zielenzorg, werden er verschillende termen gebruikt.
Met presbyter altaris, erfprochiaen, persona, verus pastor of pastor primitivus, werd dezelfde persoon bedoeld. Om deze wanpraktijken tegen te gaan, werden er vanaf de 12e eeuw verschillende altaren weggeschonken aan kapittels, kloostergemeenten en geestelijke instellingen.
In de 13de eeuw beschikte Hombeek, net als het naburige Leest, over een eigen schepenbank, wat wijst op een zekere bestuurlijke zelfstandigheid. Ophombeek ressorteerde in die periode onder de meier van Kapelle-op-den-Bos, terwijl de schepenbank van Zemst bevoegd was voor gerechtelijke aangelegenheden. Pas tijdens de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw werden Neerhombeek en Ophombeek, zoals in het eerste hoofdstuk beschreven, opnieuw samengevoegd tot één geheel: het huidige Hombeek.
De patroonheilige en het ontstaan van de parochie
Wanneer is Hombeek zelf ontstaan? Dat blijft vooralsnog een groot vraagteken. In welke tijd de dorpsgemeenschap die de naam Hombeek droeg, zijn oorsprong vindt, valt niet te achterhalen. Wanneer de parochie Hombeek is ontstaan, kunnen we wel onderzoeken. Om de parochiegeschiedenis te bestuderen, kan het interessant zijn eens een blik te werpen op de patroonheilige van het dorp, Sint-Martinus.
Algemeen wordt aangenomen dat het hier om de Sint-Martinus van Tours gaat, die in de 4e eeuw leefde. Dit zou kunnen betekenen dat het ontstaan van de parochie Hombeek kan worden teruggebracht tot de 9e eeuw, een periode waarin Sint-Martinus veelvuldig werd vereerd in onze contreien. Er is echter een aantal feiten dat deze theorie weerlegt. Volgens pastoor De Ridder ontstond er al eeuwen geleden verwarring omtrent de patroonheilige van Hombeek. Hij meent dat het niet om Sint-Martinus van Tours, maar om een andere Sint-Martinus gaat.
De zevende bisschop van Tongeren droeg immers dezelfde naam. Hij was geloofsverkondiger in Haspengouw en in het Hageland. Om zijn redenering te staven, verwijst pastoor De Ridder naar de kermis (kerkwijdingfeest) van Hombeek, die al eeuwen lang rond 21 juni, de feestdag van Sint-Martinus van Tongeren, wordt georganiseerd. De feestdag van Sint-Martinus van Tours valt echter op 11 november. Hombekenaars die geloven dat hun patroonheilige de echte Sint-Martinus is, die, zoals op het Hombeekse zegel staat afgebeeld, zijn mantel voor de kerk van Amiens in tweeën sneed, menen dat de kermis in juni valt omdat dan Sint-Jansgeboorte wordt gevierd (24 juni).
Verder wordt pastoor De Ridders theorie tegengesproken door het feit dat Sint-Martinus van Tours in onze wijde omgeving (Vlaanderen, Brabant, Duitsland) in vele parochies wordt vereerd. Dit vindt zijn oorsprong in de 4e eeuw. Clovis liet Sint-Martinus na diens dood immers uitroepen tot beschermheer van Frankenland.
Sint-Martinus van Tongeren wordt daarentegen enkel in zijn eigen streek vereerd.
In een Frans boek over Sint-Martinus van Tours wordt vermeld dat er in België 63 gemeenten zijn die deze heilige als beschermheer vereren. In voetnoot wordt echter vermeld dat enkele waarschijnlijk aan Sint-Martinus van Tongeren zijn gewijd. Volledig uitsluitsel hebben we dus niet, maar we kunnen, naar onze mening, toch stellen dat Sint-Martinus van Tours onze echte patroonheilige is.

Daarmee kunnen we dan ook de bewering staven dat het ontstaan van de parochie Hombeek kan worden teruggebracht tot de vroege Middeleeuwen, lang voor de eerste schriftelijke vermelding van het dorp. Er zijn ook andere elementen die erop wijzen dat Hombeek al in de 9e eeuw een parochie was. Zo stelt Verbesselt dat haar ontstaan als hofkerk in de 9e eeuw kan worden gesitueerd, aangezien ze in verband wordt gebracht met de andere Zennedorpen.
Na vergelijking met Eppegem en Leest, komt hij tot de conclusie dat deze dorpen hun oorsprong in dezelfde periode vinden. Hij meent dat de drie parochies qua dorpsconstructie erg op mekaar gelijken. Verbesselt duidt ook op het belang van het blok Zemst. Vele omliggende dorpen waren afhankelijk van deze gemeente. Hombeek zou daar één van kunnen zijn, dit is echter nooit bewezen. In de oorkonde van de bisschop van Kamerijk wordt immers niets gezegd over een moederparochie. Dit kan erop wijzen dat Hombeek zich reeds voor 1129 heeft losgerukt van Zemst.
Stel dat Zemst de moederkerk was van Hombeek, dan dateert de hofkerk van Hombeek van later. Als we deze redenering volgen kunnen we stellen dat het ontstaan van de parochie Hombeek kan teruggebracht worden tot de 9e eeuw, maar zeker niet vroeger.
Toponymie: waar komt de naam Hombeek vandaan?
De naam van de gemeente Hombeek is doorheen de geschiedenis op verschillende wijzen geschreven. Pastoor Frans De Ridder heeft alle verschillende benamingen op een rijtje gezet. Zo vinden we Humbeke of Humbeka (1226, 1233, 1250, 1251, 1259, 1265, 1269), Hoembeke of Hoembeka (1269, 1279, 1291, 1299, 1353), Humbecka, Hombeke, Hombeka (1129, 1226, 1260, 1265, 1299, 1574) en Hoembeeck en Hombeeck (16e eeuw en later). Verder vinden we in vele 13e-eeuwse geschriften de benamingen Hon- en Honebeke terug, net als Honnebeke.
Voor de verklaring van de naam Hombeek zijn er al heel wat mogelijkheden opgedoken. Als we deze plaatsnaam ontleden, stuiten we op twee delen: hum of hoem en beek. Dat het tweede lid duidt op een waterloop, wordt door weinigen betwijfeld. Over het eerste deel van de naam bestaan nogal wat betwistingen. Gysseling meent dat hum of hoem afstamt van hunu, wat in het Germaans honingkleurig betekent. Volgens zijn theorie betekent Hombeek dus honingkleurige beek. Carnoy nam hûn (bruin) als vertrekpunt. Dit zou afgeleid zijn van het woord honig, dat goud- of geelkleurig betekent. In Hombeek en omgeving zijn alle wateren echter troebel, en niet donker-, bruin- of geelkleurig.
De Vries verklaarde Noord-Nederlandse plaatsnamen zoals Hoendiep en Hoenza door te stellen dat de beek in het moeras betekent. Deze stelling zou perfect kloppen voor Hombeek. De Ridder meent echter dat dit niet de juiste verklaring kan zijn, aangezien De Vries vertrekt van hon en niet van hun. Andere etymologieën zoeken hun heil bij de Hunnen, maar deze theorie lijkt zeer onwaarschijnlijk. Een mogelijke verklaring vindt men toch bij hone, wat in het West-Germaans verachtelijk, ellendig betekent. Dit zou op gevaar kunnen wijzen. Dit merken we ook op bij andere beek- of plaatsnamen (Schamelbeek, Schendelbeek).
De meest plausibele uitleg stelt echter dat het grondwoord hum, hom, hem, heim is afgeleid van dezelfde Germaanse wortel waar ook het Gothische haims (dorp) van is afgeleid. Pastoor De Ridder staaft dit met voorbeelden uit andere talen. Zo zijn er het Oud-Noorse heimr (woonplaats, wereld), het Oud-Saksische hem (woonplaats), het Angelsaksische ham (woonplaats, huis) en het Engelse home (huis). Als we deze theorie volgen, zou Hombeek niet meer betekenen dan plaats, woonplaats of eventueel legerplaats aan de beek. Waarom er in de 13e-eeuwse geschriften echter zo vaak gebruik werd gemaakt van hon- of honebeke, is onduidelijk. Volgens pastoor De Ridder moet die uitspraak destijds al eeuwen verdwenen zijn geweest. Hij meent dat het een archaïserende vorm was, die in de administratie werd gebruikt.
Bij het bestuderen van de geschiedenis van de naam Hombeek en tevens de plaats zelf, stoot de vorser sowieso op het naburig gelegen Humbeek. Humbeek is een dorp dat vandaag de dag in Vlaams-Brabant ligt, zo’n 8 km verwijderd van Hombeek. Het is vanzelfsprekend dat deze twee plaatsnamen in wezen hetzelfde betekenen. Het enige verschil zit in de uitspraak. Het is de uitspraak die ervoor heeft gezorgd dat Humbeek en Hombeek een kleine afwijking vertonen in de spelling.
Het feit dat Humbeek met een ‘u’ wordt geschreven en niet met een ‘o’ heeft te maken met de Zuid-Brabantse palatalisatie van de dorpsnaam. Dit kan je vandaag de dag nog goed horen in het dialect. Waar een Hombekenaar zijn dorp Oembeek of Oemek noemt, zal een Humbekenaar Umbeek of Umek zeggen. In de Middeleeuwen, wanneer de schrijftaal nog niet gebonden was aan algemeen geldende regels, zorgde dit echter voor verwarringen. Daarom is het belangrijk te onderzoeken of Hombeek en Humbeek niet door elkaar werden gehaald in bepaalde oorkonden of dat onderzoekers zich niet vergisten.
We weten echter met zekerheid dat de vroegste vermelding van Hombeek dateert uit 1129, vermits buurgemeente Leest in dezelfde oorkonde wordt vermeld. De vroegste vermelding van Humbeek dateert uit 1150, met een schrijfwijze die identiek was aan die van Hombeek (Humbecca). In bepaalde kringen heeft men een vermoeden dat, aangezien Hombeek en Humbeek dezelfde dorpsnaam hebben en aangezien ze zo dicht bij elkaar liggen, ze vroeger samen één gebied vormden. Er zijn enkele mogelijkheden die in die richting wijzen, maar tot op de dag van vandaag zijn er geen concrete bewijzen geleverd.
Pastoor De Ridder meent dat de twee dorpen hun naam aan dezelfde beek ontlenen. Anderen nemen echter aan dat Humbeek en Hombeek twee afzonderlijke gemeenten zijn, die hun naam elk aan een eigen beek hebben ontleend. Maar welke beken? In Hombeek kan men ervan uitgaan dat de plaatsnaam op de Zennebeek duidt. Thans is deze beek verdwenen, maar vroeger ontsprong ze in het dorp en mondde ze uit in de Zenne.
Dit was de belangrijkste waterloop, op de rivier zelf na, in de omgeving en bevond zich in het dorpscentrum, waar de eerste nederzettingen ontstonden. Voor Humbeek zou het waarschijnlijk gaan om de beek die heden ten dage de Maskensbeek wordt genoemd. Deze gracht ontspringt eveneens in het dorp en vloeit in de richting van Hombeek. Vandaag mondt ze uit in de Willebroekse vaart. Voordat dit kanaal werd gegraven, stroomde ze echter verder en mondde ze uit in de Aa-beek en kronkelde zo tot aan de Zenne bij Leest. Er is echter geen enkel concreet verband.
Slotbeschouwing
Samenvattend kan worden gesteld dat Hombeek als administratieve entiteit relatief jong is (eind 18de eeuw), maar dat zijn wortels als nederzetting en parochie teruggaan tot minstens de vroege middeleeuwen, en vermoedelijk nog verder tot in de prehistorie. De combinatie van geografische ligging, kerkelijke organisatie en feodale structuren heeft het dorp gevormd tot wat het vandaag is.